Bekeravonturen

Onlangs werd mij gevraagd of ik een verslagje over mijn bekerwinst wilde schrijven. Aanvankelijk was ik daar niet zo happig op; als ratingfavoriet was het min of meer verwacht en een echt mooie partij had ik helaas niet gespeeld. Mijn motivatie om mee te doen aan de beker, eens tegen andere UVS’ers te schaken dan the usual suspects van de A-groep, was prima uit de verf gekomen en daarmee was het voor mij klaar.

Misschien kan ik echter toch een leuk thema behandelen in een stukje voor de site. Ondanks dat geen partij heel gemakkelijk verliep, ben ik geen moment in de problemen geweest. Mijn tegenstanders toonden allemaal bijzonder veel respect en leken vooral uit te zijn op het ruilen van stukken. Dat is een begrijpelijke strategie bij een ratingverschil van zo’n drie- tot vierhonderd punten. Maar is het ook de juiste?

In zekere zin is schaken een voorspelbaar spel. Verrassende uitslagen bij grote ratingverschillen zijn schaars. Schaakresultaten worden bijna volledig bepaald door kunde, ondanks dat we onszelf graag wijsmaken dat we na een nederlaag pech gehad hebben. De geringe geluksfactor maakt schaken wellicht minder geschikt als kijksport. Schakers zijn zich daar terdege bewust van als ze tegenover iemand zitten met een veel hogere rating. Daarom passen ze hun normale spel aan de oneerlijke situatie aan.

Sommigen gooien hun stukken doldriest in de aanval. Meestal leidt dat tot een harde nul. Het is wel een strategie die sterkere spelers kunnen vrezen; je kunt immers niet op je dooie gemak het klassenverschil laten blijken en wie weet trap je in een val die de dwaas tegenover je gezet heeft. De meest gebruikte strategie, die zoals gezegd werd gehanteerd door mijn tegenstanders in de beker, is het afruilen van stukken en hopen op remise. Zeker als je wit hebt kan dit werken. De sterkere speler hoeft niet bang te zijn om op een landmijn te trappen, maar kan wel gefrustreerd raken. Als jeugdspeler kon me dat gevoel wel eens bekruipen en ging ik forceren. In de loop der jaren heb ik echter geleerd dat klassenverschil ook met weinig stukken op het bord de doorslag kan geven en dat geduld een schone zaak is.

Ik heb dat ook geleerd door aan de andere kant te zitten. In de Meesterklasse trof ik regelmatig grootmeesters met een veel hogere rating. Een leerzame ervaring was de partij tegen Arkidij Rotstein. Ik had toentertijd een rating rond de 2300 en mijn tegenstander rond de 2550.

Pijnlijk, maar het geduld wat mijn tegenstander opbracht was bijzonder leerzaam. Hij leek rotsvast te vertrouwen dat de mindere speler toch wel ergens een foutje ging maken. Dit gebeurt dan ook vaker wel dan niet en is het grote probleem van de ‘alles afruilen strategie’ tegen een sterkere tegenstander. Als ervaringsdeskundige kan ik erover meepraten.

In de laatste ronde van de beker mocht ik voor het eerst aantreden tegen Pepijn van Erp. Ik had eerder genoten van zijn videoanalyses en was ietwat bevreesd geraakt voor zijn openingskennis. Ik besloot de hoofdvarianten dan ook te vermijden. Ik dacht dat hij vol op de winst zou gaan spelen, omdat het de enige manier was om de fel begeerde UVS-beker mee naar huis te mogen nemen. Maar ik kwam bedrogen uit…

Een typerend bekerpotje voor mij. Misschien is de titel ‘Bekeravonturen’ niet helemaal terecht en zijn velen in slaap gevallen bij het naspelen van bovenstaande partijen. Hopelijk is er een lezer te vinden die toch wat uit dit stukje heeft kunnen halen.

Share

3 reacties

  1. Pepijn van Erp schreef:

    Ik zat zelf ook een beetje te balen dat ik niets interessanters, maar toch speelbaars, vond dan 11.Db3. Daarna probeerde ik gewoon de best zetten te spelen, mindere stukken ruilen en hopen dat in de partij tussen Roy en Jeroen een snelle winst zou volgen (dat leek me eigenlijk niet zo onwaarschijnlijk). Dan was het de vraag hoe lang je rustig binnen de remisemarge was blijven spelen, of dat je op een gegeven moment met risico toch iets zou moeten forceren. Dat plan ging natuurlijk mis door mijn eigen fout ;-)

  2. Hans Klip schreef:

    Leuk artikel over een interessante materie! In een vereenvoudigde, gelijke stelling zijn er vaak nog voldoende mogelijkheden om door te spelen. Ik ben – net als Paul tegen Rotstein – door schade en schande wijs geworden; heb een aantal vergelijkbare pijnlijke nederlagen geleden.

  3. Maarten van Rooij schreef:

    “Supreme excellence consists of breaking the enemy’s resistance without fighting.”
    Dat zegt Sun Tsu erover. Maar het blijft toch een beetje labbekakkerig schaak. Mag ik dat zo zeggen?

Geef een antwoord